Beste klant of relatie, we raden zoveel als mogelijk aan om digitaal te werken, maar indien nodig: onze kantoren blijven open voor gebruik. We hebben voldoende beschermingsmaatregelen genomen om uw en onze veiligheid te garanderen. Graag tot snel & onze gezonde wensen voor u & uw naasten.

De liquidatiereserve: hoe ermee omgaan?

Op 1 oktober 2014 steeg de roerende voorheffing op liquidatieboni van 10% naar 25%. Dit percentage werd met ingang vanaf 1 januari 2016 zelfs verhoogd naar 27%. De wetgever is evenwel tegemoet gekomen aan de bekommernissen van zaakvoerders van een vennootschap, om ook voor de toekomst hun reserves bij liquidatie aan 10% uit te kunnen keren. Dit gebeurde via de invoering van de zogenaamde ‘liquidatiereserve’. De programmawet van 10 augustus 2015 heeft daarnaast zelfs een bijzondere liquidatiereserve in het leven geroepen om ook voor de reserves van de aanslagjaren 2013 en 2014 aan de (bijzondere) liquidatiereserve te kunnen onderwerpen. Tijd om ons hierin verder  te verdiepen!

Welke vennootschappen?
Enkel de vennootschappen die als klein worden beschouwd overeenkomstig het Wetboek van Vennootschappen, komen in aanmerking om een liquidatiereserve aan te leggen. Deze reserve kan aangelegd worden vanaf aanslagjaar 2015 (boekjaar 2014). Dit betekent dat u telkens, naar aanleiding van de gewone algemene vergadering die beslist over de goedkeuring van de resultaten over het boekjaar, een beslissing zal moeten nemen over de aanleg van de liquidatiereserve.

Hoe een liquidatiereserve aanleggen?
De liquidatiereserve wordt gevormd door een gedeelte of het geheel van de boekhoudkundige winst na belastingen over te boeken naar één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief. U hoeft hiervoor niet naar de notaris te gaan, een eenvoudige boeking volstaat. Overgedragen verliezen uit vorige boekjaren beletten niet de aanleg van een liquidatiereserve. Overgedragen winsten van vorige boekjaren komen echter niet in aanmerking. Evenwel, voor de aanleg van de bijzondere liquidatiereserve moet u rekening houden met een specifieke beperking. De wet stelt immers dat de in aanmerking komende bedragen geplafonneerd moeten worden tot het bedrag van die winsten, dat nog steeds terug te vinden is in de reserves van de vennootschap bij het begin van het boekjaar waarin de bijzondere aanslag wordt betaald. Indien die winsten in dat jaar bijvoorbeeld zijn uitgekeerd, komen ze niet meer in aanmerking voor de aanleg van een bijzondere liquidatiereserve.

De minister van financiën heeft ook bevestigd dat de verplichting tot aanleg van een wettelijke reserve (5% van de nettowinst totdat die 10% van het maatschappelijk kapitaal bereikt) niet verhindert dat deze eveneens gebruikt wordt voor de aanleg van de liquidatiereserve. De liquidatiereserve kan dus ook aangelegd worden onder de vorm van een wettelijke reserve (afzonderlijke subrekening).

Afzonderlijke aanslag van 10%
Op het bedrag van de liquidatiereserve betaalt de vennootschap een afzonderlijke aanslag van 10%, die verschuldigd is voor het belastbare tijdperk waarin de liquidatiereserve wordt aangelegd. Deze afzonderlijke aanslag is een anticipatieve heffing waarop geen enkele aftrek (zoals vorige fiscale verliezen of notionele intrestaftrek) kan worden toegepast. Evenmin kan ze verrekend worden met voorheffingen of voorafbetalingen. Deze afzonderlijke aanslag zal moeten worden betaald via de gewone aanslag vennootschapsbelasting. Ze is niet als beroepskost aftrekbaar. De formaliteiten inzake de bijzondere liquidatiereserve zijn enigszins anders. U dient voor de aanleg van de bijzondere liquidatiereserve een bijzondere aangifte in te dienen.

Uitkering van de liquidatiereserve
Op het ogenblik dat de vennootschap vereffend wordt, zal de liquidatiebonus die vanuit deze liquidatiereserve wordt uitgekeerd, vrij van roerende voorheffing en personenbelasting kunnen worden uitgekeerd. Maar u kan er ook voor opteren de liquidatiereserve vroeger, namelijk vóór de vereffening, uit te keren als dividend. U moet dan wel rekening houden met een bijkomende heffing. Deze bedraagt 5% indien u de liquidatiereserve uitkeert ten vroegste na 5 jaar, te rekenen vanaf het einde van het belastbare tijdperk waarin de aanleg van de liquidatiereserve is gebeurd. Doet u dit sneller dan zal u op het dividend dat vanuit de liquidatiereserve wordt uitgekeerd een bijkomende heffing van 17% moeten betalen. Een eenvoudig voorbeeld verduidelijkt dit: de gewone algemene vergadering van een KMO-vennootschap besluit in mei 2015 een liquidatiereserve aan te leggen over boekjaar 2014. In mei 2019 beslist dezelfde algemene vergadering om de volledige liquidatiereserve uit te keren. De bijkomende heffing van 17% zal van toepassing zijn. Deze bijkomende heffing zou slechts 5% bedragen indien de beslissing tot uitkering genomen was op de algemene vergadering van mei 2020.

Uw voordeel
Het grote voordeel van de liquidatiereserve ligt in het feit dat u deze reserve bij liquidatie belastingvrij kunt uitkeren. Zelfs indien u ze vroeger uitkeert (uiterlijk na 5 jaar) zal de totale belastingdruk nog lager zijn dan een gewone dividenduitkering. Toch moet u ook enkele afwegingen maken: de afzonderlijke aanslag van 10% moet u onmiddellijk betalen, ook al wordt de reserve pas later (liquidatie of als dividend na 5 jaar) uitgekeerd. De vennootschap kan dat geld dus niet meer zelf beleggen of investeren. De aanleg van een liquidatiereserve is minder interessant indien de aandeelhouders vennootschappen zijn. Dividenduitkeringen tussen vennootschappen zullen in principe vrijgesteld zijn van roerende voorheffing (onder bepaalde voorwaarden zoals een minimum aandelenparticipatie van 10%). In dat geval betaalt u voor iets waar u geen voordeel aan heeft. Maakt u achteraf verliezen, zodat er uiteindelijk minder reserves worden uitgekeerd bij de liquidatie, dan bent u die 10% kwijt. De afzonderlijke aanslag verdwijnt uit het vermogen van de vennootschap. Ze heeft bijgevolg een negatieve impact op de berekeningsbasis van de notionele intrestaftrek. Ten slotte zal de aanleg van de liquidatiereserve vooral interessant zijn voor vennootschappen die normaal gezien 27% roerende voorheffing op hun dividenduitkeringen moeten inhouden. Door de aanleg van de liquidatiereserve kunnen ze dit tarief terugbrengen naar 10% of 15%, al naargelang het tijdstip van de uitkering.

Sinds 1 juli 2013 kunnen KMO-vennootschappen echter, onder bepaalde voorwaarden, dividenden uitkeren aan een tarief van 15%. Hiervoor moet het gaan om dividenden van aandelen die uitgegeven zijn naar aanleiding van een oprichting of kapitaalverhoging, die plaatsvond na 1 juli 2013 en voor zo ver dit gebeurde met vers ingebracht geld. Deze vennootschappen zullen bij de aanleg van de liquidatiereserve dit aspect in hun afweging moeten meenemen. Hun eventuele dividenduitkeringen zullen in ieder geval slechts 15% roerende voorheffing ondergaan. Zij kunnen wel een liquidatiereserve aanleggen tegen 10% om deze reserves belastingvrij uit te keren naar aanleiding van de uiteindelijke liquidatie.

En uw bedrijf?
De liquidatiereserve is een eenvoudige maatregel die KMO-vennootschappen toelaat te liquideren aan 10% of zelfs dividenden uit te keren aan 15%. Er moet evenwel op worden gewezen dat naast de voordelen ook een aantal nadelen gelden. Een grondige advisering bij de aanleg van de liquidatiereserve is dan ook aangewezen. Zit u met vragen over de liquidatiereserve of wilt u meer weten? Onze experts staan steeds voor u klaar.

 

Gepubliceerd door Stijn Janssens

Een andere vraag omtrent dit thema?

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
© Van Havermaet 2021