Deel dit artikel

Kamer schrapt boete voor ontoereikende bezoldiging

In het zgn. Zomerakkoord uit 2017 werd het tarief van de vennootschapsbelasting verlaagd. Tegelijk nam de regering een aantal maatregelen die moesten vermijden dat de verlaging van de vennootschapsbelasting zou leiden tot een grote graad van ‘vervennootschappelijking’.

Eén van de bekende wijzigingen is de verhoogde grens van de minimumbezoldiging voor bedrijfsleiders. Deze bedraagt nu 45 000 EUR (destijds 36.000 EUR). Hieraan moet de vennootschap voldoen om aanspraak te kunnen maken op het verlaagde tarief van 20,40% op de eerste schijf winst van 100.000 EUR (i.p.v. 29,58 %).

Vennootschappen die niet minstens dergelijke bezoldiging betalen, maken echter niet alleen geen aanspraak op het verlaagde tarief. Tevens geldt een sanctie van 5,1% wanneer deze minimumbezoldiging niet is bereikt. De boete wordt berekend op het verschil tussen de referentiebezoldiging van 45.000 EUR en de werkelijk uitgekeerde bezoldiging.

Het was de bedoeling dat de boete in 2020 zou stijgen naar 10%. Dat is reeds door een eerder ingrijpen afgevoerd. Verrassend genoeg is nu bovendien de boeteregeling in haar geheel geschrapt. Let wel, om te kunnen genieten van het verlaagde tarief in de vennootschapsbelasting, zal de bezoldiging aan één bedrijfsleider in regel nog steeds 45.000 EUR moeten bedragen.

Veel ondernemers (en hun adviseurs) slaken ongetwijfeld een zucht van opluchting door deze schrapping. De regeling bevatte immers nog heel wat (onopgeloste) onduidelijkheden, vooral m.b.t. de toepassing van de sanctie in een groep van vennootschappen. Alle hoofdbrekens hierover, o.a. over de wijzigingen van bestuursstructuren om de sanctie te voorkomen, was achteraf gezien dus niet nodig. Of wellicht toch, maar dan slechts voor één jaar (aanslagjaar 2019).

Publicatiedatum: 21 maart 2019