Deel dit artikel

Aangifte personenbelasting wordt nog meer een huzarenstukje

De geruisloze wijziging van het EER-KB inzake Kaaimantaks: de tanden nogmaals verscherpt

Sinds 1 januari 2018 is de toepassing van de Kaaimantaks aanzienlijk uitgebreid voor entiteiten met rechtspersoonlijkheid binnen de Europese Economische Ruimte. Een overzicht van de wijzigingen en de (onverwachte) gevolgen hiervan voor de aangifte personenbelasting.

Wat is de Kaaimantaks?

Met de Kaaimantaks wil de Belgische wetgever de inkomsten van buitenlandse “juridische constructies” belasten in hoofde van Belgische oprichters alsof ze die inkomsten zelf rechtstreeks hebben ontvangen. Het toepassingsgebied is anders al naargelang er sprake is van een rechtspersoon of niet. In deze tekst behandelen we enkel de entiteiten met rechtspersoonlijkheid.

Een rechtspersoon is een “juridische constructie” als ze in het land waar ze is gevestigd:

  • niet aan de inkomstenbelastingen is onderworpen of
  • is onderworpen aan een inkomstenbelasting die lager is dan 15% van haar belastbaar inkomen. Het bepalen van dat belastbaar inkomen gebeurt fictief aan de hand van Belgische fiscale wetgeving.

Indien dergelijke entiteiten evenwel gevestigd zijn in de Europese Economische Ruimte (EER) vallen ze in principe buiten het toepassingsgebied van de Kaaimantaks. Van deze regel werd tot en met 31 december 2017 enkel afgeweken indien de rechtsvorm voorkwam op een limitatieve lijst bepaald bij Koninklijk Besluit (het zogenaamde EER-KB).

Om welke rechtsvormen ging het in het verleden?

Op een lijst werd vermeld welke rechtsvormen binnen de EER onder het toepassingsgebied van de Kaaimantaks vielen. Zo werd er melding gemaakt van:

  • “De in artikel 2, § 1, 13°/1, tweede lid WIB 92 bedoelde instellingen, entiteiten en vennootschappen”. Dat zijn pensioenfondsen, fondsen die werknemersparticipaties beheren en openbare of institutionele instellingen voor collectieve belegging (ICB’s) waarvan de rechten door één persoon of meerdere met elkaar verbonden personen worden aangehouden (fonds dédiés).
  • “Hybride vennootschappen”. Dit zijn vennootschappen:
    • die in het land van vestiging rechtspersoonlijkheid hebben,
    • waarbij de buitenlandse inkomstenbelasting wordt geheven ten aanzien van de achterliggende vennoten (fiscaal transparant) en
    • die voor de toepassing van de Belgische inkomstenbelastingen niet als fiscaal transparant worden beschouwd.Men denkt hier bijvoorbeeld aan de Luxemburgse Société en Commandite Simple.
      Dergelijke vennootschappen werden echter slechts als “juridische constructie” aangemerkt indien ze inkomsten van Belgische oorsprong verkrijgen die niet belastbaar zijn in België.
  • Limitatieve lijst van vennootschappen: de Liechtensteinse Stiftung en Anstalt en de Luxemburgse Société de gestion Patrimoine Familiale (SPF).Andere entiteiten met rechtspersoonlijkheid die in de EER zijn gevestigd, vielen in principe buiten het toepassingsgebied van de Kaaimantaks.

Wat is er veranderd?

De gewijzigde versie van het EER-KB valt nog steeds uiteen in drie grote onderdelen, zij het dat deze op belangrijke punten werden gewijzigd:

1. Beleggingsinstellingen
Reeds in de oude versie waren zogenaamde fonds dédiés van ICB’s onderworpen. Privaat uitgegeven vormen ontsprongen nog de dans.

Nu opteert de overheid voor een brede definitie van “beleggingsinstellingen” waarvan de rechten berusten bij één persoon of meerdere verbonden personen:

  • een in de EER gevestigde instelling voor collectieve belegging met “Europees paspoort”
  • een in de EER gevestigde alternatieve instelling voor collectieve belegging
  • een beleggingsinstelling die slechts één deelnemer telt en die onder het eerste of tweede punt zou vallen indien ze meer dan één deelnemer had gehad.

Dergelijke beleggingsinstellingen vallen uiteraard wel alleen onder de Kaaimantaks indien ze voldoen aan de basisvoorwaarde, met name het niet onderworpen zijn aan inkomstenbelastingen of laag belast zijn (zie 15% regel). Merk op dat beleggingsinstellingen uitdrukkelijk worden uitgesloten van de toepassing van het derde onderdeel (niet- of laag-belaste entiteiten). Hierdoor zal bijvoorbeeld een volledig in Luxemburg van inkomstenbelastingen vrijgestelde Sicav-SIF enkel aan de Kaaimantaks worden onderworpen indien het een fonds dédié betreft.

2. Hybride vennootschappen
De vroegere regel dat een hybride vennootschap slechts een “juridische constructie” is indien ze inkomsten van Belgische oorsprong verkrijgt die niet belastbaar zijn in België, is niet langer terug te vinden in het EER-KB. De toepassing van de Kaaimantaks op “hybride vennootschappen” wordt bijgevolg algemeen.

Er zijn evenwel 2 specifieke uitsluitingsgronden voorzien:

  1. De verdragsvrijstelling: als op grond van een dubbelbelastingverdrag tussen België en een EER-staat de heffingsbevoegdheid aan deze laatste zou toekomen, is de Kaaimantaks niet van toepassing (bijvoorbeeld in het geval van de Franse SCI’s). Deze bijzondere uitsluitingsgrond is eveneens van toepassing op het derde onderdeel (niet- of laag belaste entiteiten).
  2. De 1% belasting: als de achterliggende vennoot minstens 1 % belasting betaalt op het deel van het inkomen van de vennootschap dat hem toekomt (berekend volgens de Belgische regels) in het land waar de vennootschap is gevestigd, dan geldt de kaaimantaks niet.Hybride vennootschappen zijn net zoals de beleggingsvennootschappen uitgesloten van de toepassing van het derde onderdeel (niet- of laag-belaste entiteiten).

3. Niet- of laag-belaste entiteiten
Het nieuwe EER-KB bevat niet langer een (beperkte) opsomming van niet- of laag-belaste entiteiten , maar hanteert nu een algemene definitie. Voortaan vallen alle EER-entiteiten met rechtspersoonlijkheid die vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen of minder dan 1 % inkomstenbelastingen betalen (opnieuw op basis van een Belgische grondslag) onder het toepassingsgebied van de Kaaimantaks. De voorheen opgesomde niet- of laag-belaste entiteiten worden nog steeds expliciet vermeld, zij het nu louter als voorbeelden. Voor EER-entiteiten met rechtspersoonlijkheid wordt bijgevolg expliciet afgeweken van de 15 % norm naar een 1 % norm. In theorie kan nu eender welke van deze entiteiten -die minder dan 1 % inkomstenbelastingen betaalt, onder het toepassingsgebied van de Kaaimantaks vallen. We denken bijvoorbeeld aan de Nederlandse STAK, maar ook aan de Nederlandse VBI, bepaalde vennootschappen in Malta, Cyprus, Liechtenstein of Luxemburg…

Vanaf wanneer?

Dit alles is al op 1 januari 2018 in werking getreden. De overheid heeft dus gekozen voor een feitelijke terugwerkende kracht. U moet met de wijzigingen derhalve al rekening houden bij de eerstvolgende aangifte personenbelasting.

Waar moet u op letten?

Indien een EER-entiteit met rechtspersoonlijkheid door een wijziging van het KB sinds 1 januari 2018 onder het toepassingsgebied van de Kaaimantaks valt, worden de door deze entiteit behaalde inkomsten belast in hoofde van de Belgische oprichters alsof deze de inkomsten zelf zouden hebben behaald.
Daarnaast wordt de entiteit beschouwd als een “juridische constructie”, waardoor de verplichting ontstaat voor de oprichter of diegene die een voordeel van de constructie heeft verkregen (bijvoorbeeld dividend) om deze constructie aan te geven in zijn of haar aangifte personenbelasting. Bij onjuiste aangifte riskeert u een specifieke boete van 6.250 euro per jaar en per vergeten juridische constructie.
Laat u dus tijdig begeleiden om de gevolgen van het gewijzigde KB op uw EER-entiteiten met rechtspersoonlijkheid te analyseren zowel op het vlak van de Kaaimantaks als aangaande de voorbereiding van de aangifte in de personenbelasting.

Publicatie datum: 8 januari 2019