Deel dit artikel

Zomerakkoord: enkele eerste conclusies voor uw vennootschap

De langverwachte hervorming van de vennootschapsbelasting heeft eindelijk vorm gekregen in het zomerakkoord. Maar lang niet alles is rozengeur en maneschijn.

Hierna willen wij enkele maatregelen alvast kort met u bespreken. Dit is lang niet alles wat werd aangekondigd, maar bevat naar onze mening wel de highlights en zaken waarmee u eventueel dit jaar nog rekening kan houden. Voorts merken wij op dat er nog geen wetteksten zijn, dus deze informatie geldt onder voorbehoud. Niettemin is er voldoende stof om uw dossier onder de loep te nemen. Binnenkort mag u van ons overigens een uitnodiging verwachten voor een infosessie over dit onderwerp.

1. Tariefdaling

Meest opvallend is natuurlijk de daling van het belastingtarief voor vennootschappen. Vandaag bedraagt dit in regel nog 33,99%. Het belastingtarief zal door de hervorming gefaseerd worden teruggebracht:

  • 29,58% in 2018 en 2019
  • 25% vanaf 2020

Voorlopig is niet gezegd hoe dit geïnterpreteerd moet worden voor vennootschappen met gebroken boekjaren of met een boekjaar langer dan 12 maanden (bijv. gestart op 1 juli 2017 met een eerste afsluiting op 31 december 2018). De kans is reëel dat:

  • Het lagere tarief maar geldt op voorwaarde dat het boekjaar niet voor 1 januari 2018 is aangevangen.
  • Een wijziging van het boekjaar door een specifieke antimisbruikbepaling geen uitwerking zal hebben voor toepassing van het lagere belastingtarief.

Voor nieuwe oprichtingen of (om andere redenen geplande) aanpassingen van het boekjaar, is het echter nuttig om met de tariefdaling rekening te houden. Ook kan u een optimalisatie overwegen door tantièmes uit te betalen aan bestuurders-vennootschappen.

2. Tarief voor KMO’s

KMO’s kennen onder voorwaarden een gunstiger tarief. Anderzijds verdwijnt het huidige verlaagd opklimmend tarief.
Het gunstiger tarief zal gelden voor KMO’s in de zin van art. 15 Wetboek Vennootschappen en slechts tot een winst van € 100.000:

  • 20,40% in 2018 en 2019
  • 20% vanaf 2020

Als er een hogere winst is, betalen zij voor het meerdere ook het normale tarief.

Dit betekent dat het maximale voordeel voor KMO’s gelijk is aan:

  • € 100.000 x (29,58% -20,4%) = € 9.180 voor 2018 en 2019
  • € 100.000 x (25% -20%) = € 5.000 vanaf 2020

Voorwaarde voor dit lagere tarief is dat de KMO aan minstens één bedrijfsleider (natuurlijke persoon) een bezoldiging betaalt van € 45.000 bruto op jaarbasis. Als de winst van de vennootschap lager is dan € 45.000, volstaat een bezoldiging die gelijk is aan de winst. Starters hoeven geen bezoldiging uit te keren.

Vandaag geldt voor toepassing van het verlaagd opklimmend tarief onder andere de voorwaarde van betaling van € 36.000 aan minimum één bedrijfsleider. Deze grens verhoogt dus. Naar verwachting verdwijnen de overige voorwaarden van het huidige verlaagd tarief.

De verhoging van deze grens als voorwaarde voor het nieuwe verlaagde tarief zal in de praktijk naar onze mening in de meeste gevallen geen probleem opleveren. Er is echter een bijkomende adder onder het gras.

3. € 45.000 grens

Het is blijkbaar de bedoeling dat alle vennootschappen hoe dan ook aan minstens één bedrijfsleider een bezoldiging van € 45.000 zouden uitkeren. Indien dit niet gebeurt, betaalt de vennootschap een afzonderlijke belasting van 10 % over het te weinig uitgekeerde bedrag. Maximaal gaat het dus om een jaarlijkse bijkomende belasting van € 4.500.

Ook voor deze heffing geldt een uitzondering voor vennootschappen met een winst die lager is dan € 45.000 en voor starters.

De minimumbezoldiging is dus niet enkel relevant voor KMO-vennootschappen.

Vanzelfsprekend roept deze maatregel veel vragen op:

  • Wat indien de vennootschap enkel rechtspersonen als bestuurder heeft? Het is dan immers in beginsel niet mogelijk om de minimumbezoldiging aan een bedrijfsleider te betalen.
  • Hoe zal men omgaan met winstgevende vennootschappen die nog overgedragen verliezen kunnen recupereren?
  • Geldt de verplichting in vennootschapsgroepen effectief per vennootschap, ook als de bedrijfsleiding telkens in handen is van dezelfde persoon/personen?

In veel gevallen zal u dus moeten nagaan of de gekozen juridische structuur op fiscaal vlak nog aangewezen is.

4. Roerende voorheffing op kapitaalverminderingen

Het lijkt logisch dat vermogen dat de aandeelhouder zelf in de vennootschap heeft gestopt er ook weer uit kan zonder heffing. Nochtans verandert dit.

Kapitaalverminderingen worden vanaf 2018 immers proportioneel toegerekend aan het fiscale kapitaal, de belaste reserves in kapitaal en de belaste reserves. In de mate van toerekening aan reserves geldt een tarief van 30%. Het gedeelte van de kapitaalvermindering toegerekend op het werkelijk gestort kapitaal blijft onbelast. Kapitaalverminderingen in het kader van de zogenaamde liquidatiebonus (interne liquidatie) zouden niet door deze maatregel worden getroffen.

Concreet betekent dit dat de heffing van roerende voorheffing wordt vervroegd. De aandeelhouders kunnen de onbelaste uitbetaling niet langer naar voor trekken en de belaste uitbetaling uitstellen. Voorts merken wij op dat, ingeval de vennootschap nadien verliezen zou maken, roerende voorheffing is betaald op vermogen dat per saldo nooit effectief wordt verkregen.

Het spreekt voor zich dat u kan overwegen om nog in 2017 het kapitaal te verminderen met toerekening aan het fiscaal erkende kapitaal om zodoende de nadelige gevolgen van deze maatregel te vermijden.

Voorts lijkt het aangewezen om in holdingstructuren na te gaan of de deelnemingswaarde afgewaardeerd moet worden (bijv. na ontvangst dividend) om zodoende de reserves te verminderen. Ook kan u overwegen om de dividendpolitiek in uw holdingstructuur aan te passen.

5. Aanpassing notionele interestaftrek

De notionele  interestaftrek houdt in dat vennootschappen een fictieve rente mogen aftrekken van hun winst in de mate dat zij eigen vermogen inzetten voor hun werking, in plaats van dit extern te financieren.

Het belang van de notionele interestaftrek is door de jaren heen sterk afgenomen. Zo bedraagt de aftrek voor huidige jaar 2017 nog maar 0,237% (voor KMO’s: 0,737%).

In de toekomst zal de aftrek nog verder worden beperkt: enkel het bijkomend kapitaal ten aanzien van een voortschrijdend gemiddelde van de vijf voorbije jaren komt in aanmerking.

Gevolg van deze maatregel is dat een aantal (beleggings)vennootschappen hun belastbare basis aanzienlijk zien stijgen. Samen met de wijzigingen inz. meerwaarde op aandelen (punt 6. hierna) kan dit een grote impact hebben. Zij zullen wellicht overwegen om de gelden buiten de vennootschap te beleggen.

6. Vrijstelling meerwaarden op aandelen

Meerwaarden op aandelen zijn in de vennootschapsbelasting in beginsel belastingvrij. Voorwaarden zijn (kort samengevat):

  • Het betreft aandelen van normaal belaste vennootschappen.
  • De aandelen zijn minstens 1 jaar in bezit.

Grote vennootschappen betalen op heden overigens wel een (beperkte) belasting van 0,412%.

Het goede nieuws is dat deze laatste heffing zal verdwijnen. Het slechte nieuws daarentegen is dat de vrijstelling enkel nog zal gelden voor deelnemingen van minstens 10% of met een aanschaffingswaarde van minstens 2,5 miljoen euro.

Als u weet dat verliezen op aandelen in een vennootschap in beginsel niet aftrekbaar zijn (en dat blijft ook zo) wordt het fiscaal bijzonder oninteressant om beleggingen in aandelen aan te houden.

Wellicht kan u overwegen om een eventuele meerwaarde alsnog in 2017 te realiseren. Een alternatief kan zijn om de beleggingsportefeuille naar privé over te dragen indien mogelijk.

7. Voorafbetalingen

Een correcte opvolging van uw fiscaal resultaat met tijdige voorafbetalingen wordt een must: de vermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen wordt vanaf 2018 immers minimaal 6,75%.

De belastingvermeerdering zal steeds worden toegepast voor vennootschappen. Op heden geldt nog een uitzondering als het bedrag ervan lager ligt dan 0,5% van de belasting waarop ze is berekend of lager is dan € 50.

Wij kunnen u enkel aanraden om tijdig uw adviseur te contacteren, zodat u in samenspraak de hoogte van de voorafbetalingen kan bepalen.

8. Voorzieningen

Heel wat ondernemingen leggen voorzieningen aan voor risico’s die zij oplopen in de bedrijfsvoering. Denk maar aan productaansprakelijkheid, milieuschade, waarborgen e.d.

Vanaf 2018 zullen deze nog enkel fiscaal worden aanvaard in de mate dat ze beantwoorden aan een definitieve verplichting op balansdatum. Bovendien, om te vermijden dat voorzieningen worden aangelegd die worden teruggenomen eens het tarief is verlaagd, zal worden bepaald dat de terugname van voorzieningen steeds wordt belast aan het nominale tarief dat van toepassing was op het moment dat de voorziening werd aangelegd.

Vooralsnog is het onduidelijk wat er gebeurt met voorzieningen die in het verleden (geleidelijk) zijn opgebouwd en elk jaar worden herberekend. Als deze (in één klap) belastbaar worden voor 2018, dreigt voor sommige ondernemingen een enorme financiële kater.

Alternatief kan in sommige gevallen zijn het risico via een verzekeringspremie in te dekken.

9. Vooruitbetaalde kosten

De fiscus heeft altijd de volledige aftrek aanvaard van toekomstige kosten indien de betaling ervan in het boekjaar gebeurde. Denk bijvoorbeeld aan de betaling van een jaarlijkse verzekeringspremie in de loop van het jaar: ook al heeft deze deels betrekking op het volgende jaar, is deze volledig aftrekbaar.

Om de vooruitbetaling van toekomstige kosten tegen te gaan, wil de regering vanaf 2018 dat kosten verbonden aan activiteiten of inkomsten van het volgende boekjaar slechts in dat volgende boekjaar fiscaal aftrekbaar zullen zijn. Hierdoor zal het boekhoudkundig matching principe fiscale doorwerking genieten.

Ook de techniek van renting van roerende goederen met vooruitbetaling van een belangrijk bedrag (op het einde van) het eerste jaar, zal dus niet meer werken. 2017 wordt het laatste jaar waarin u deze “truc” nog kan toepassen.

10. Minimale belastbare basis

Verscheidene aftrekposten zoals de vorige verliezen, de overgedragen DBI, overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten, de overgedragen notionele interestaftrek en de “nieuwe” notionele interestaftrek worden vanaf 2018 jaarlijks beperkt tot een bepaalde “korf”. Deze “korf” is beperkt tot € 1 miljoen + 70%. Dit houdt in dat 30% van de winst bovenop het bedrag van € 1 miljoen een minimale belastbare basis in de vennootschapsbelasting zal vormen. Vandaar dat de pers gewaagt van een minimumtarief van 7,5%.

Voor startende vennootschappen worden de overgedragen verliezen niet beperkt gedurende de eerste vier boekjaren.

Vennootschappen met omvangrijke overgedragen aftrekposten kunnen derhalve best nu al bekijken hoe zij hun aftrekposten kunnen optimaliseren.

11. Verliesvennootschappen betalen ook bij fiscale controles

Wellicht ondergaat niemand graag een fiscale controle. Nochtans is de spanning minder hoog indien uw vennootschap (omvangrijke) aftrekposten nog onbenut heeft gelaten. Eventuele supplementen worden hiermee dan immers verrekend.

Vanaf volgend jaar is dat anders. Elke verhoging van de belastbare basis n.a.v. een belastingcontrole wordt effectief belast. Verrekening met beschikbare aftrekbare bestanddelen is niet meer mogelijk. Enige uitzondering geldt voor de eventuele DBI-aftrek van het betrokken boekjaar.

12. Investeringsaftrek

Tot slot van deze samenvatting toch ook nog goed nieuws.

KMO-vennootschappen (en ook eenmanszaken) zullen gedurende 2 jaar kunnen genieten van een investeringsaftrek van 20%. Dit kan alleszins een reden zijn om belangrijke investeringen over het jaar heen te tillen.

Zoals vermeld zijn dit de belangrijkste aandachtspunten. Kort nog vermelden dat er wijzigingen zijn aangekondigd op volgende domeinen in de vennootschapsbelasting (sommige vanaf 2020):

  • Uitdoving van de investeringsreserve
  • Hervorming van moratoriuminteresten en nalatigheidsinteresten
  • Verhoogde minimumheffing bij niet-aangifte of laattijdige aangifte
  • Sanctionering van niet-tijdige herbelegging van meerwaarden
  • Schrapping van de mogelijkheid van degressieve afschrijvingen
  • Afschrijven pro rata temporis ook voor KMO’s
  • Niet-aftrekbaarheid van de aanslag geheime commissielonen
  • Hervorming systeem inschakelingsbedrijven
  • Beperking van aftrek van verliezen van buitenlandse inrichtingen
  • Hervorming aftrek autokosten
  • Fiscale consolidatie

Publicatiedatum: 22 augustus 2017