Deel dit artikel

Over meerwaarden en afschrijvingen op onroerend beroepsvermogen in de personenbelasting

Het komt vaak voor dat twee (of meer) personen samen eigenaar zijn van een onroerend goed. Maar dat maar één het gebruikt voor beroepsdoeleinden. Wat dan bij een verkoop? In welke mate kan de belastingplichtige dan fiscaal afschrijvingen boeken en in welke mate is een eventuele meerwaarde dan belastbaar? We staan stil bij de mogelijkheid om fiscaal af te schrijven. En op de manier waarop wordt bepaald in welke mate een goed wordt geacht gebruikt te zijn voor beroepsdoeleinden. 

Afschrijvingen

Afschrijvingen kunnen door een belastingplichtige fiscaal maar in rekening worden gebracht op vaste activa met een beperkte gebruiksduur waarvan de belastingplichtige eigenaar is (of ander zakelijk recht zoals vruchtgebruik. Wie slechts gedeeltelijk eigenaar is, kan dan ook maar een gedeelte van de aanschaffingswaarde afschrijven. Verder kan er ook maar worden afgeschreven in de mate dat het onroerend goed gebruikt wordt voor beroepsdoeleinden.

Belastbare meerwaarde – Artikel 41 WIB? 

Artikel 41 WIB bevat de criteria om te bepalen of een goed gebruikt wordt voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid. En in welke mate.

Eén van deze criteria zijn de fiscaal aanvaarde afschrijvingen. Als fiscaal afschrijvingen in rekening zijn gebracht op 40% van een onroerend goed volgt uit artikel 41 WIB dat het onroerend goed voor 40% voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt. Dit betekent dat een eventuele meerwaarde bij vervreemding ook slechts voor 40% belastbaar zal zijn.

Invloed van het vermogensrecht

Hoe vertalen deze principes zich nu voor gehuwden en heeft een eventueel huwelijkscontract een invloed op de uitkomst?

1. Gehuwden met gemeenschap van goederen

Wij bekijken hier de hypothese dat een onroerend in het gemeenschappelijk vermogen van een echtpaar zit.

Wat indien één van de echtgenoten het onroerend goed voor meer dan 50% of zelfs 100% beroepsmatig gebruikt? Kan hij dan afschrijven op basis van het werkelijk beroepsgebruik of kan hij maximaal 50% van de aanschaffingswaarde afschrijven?

Uit het burgerlijk recht putten we argumenten om een 100% afschrijving te verantwoorden. Het gemeenschappelijk vermogen is niet te herleiden tot een onverdeeldheid of een vorm van mede-eigendom. Het moet beschouwd worden als een bijzondere juridische entiteit (zonder rechtspersoonlijkheid).

Hieruit volgt dat de belastingplichtige op het beroepsmatige deel van het onroerend goed kan afschrijven. Zelfs als dit groter is dan de helft van het gebouw. In de mate dat er afschrijvingen aanvaard worden, wordt het onroerend goed als actiefbestanddeel aangemerkt. Een eventuele meerwaarde zou dan ook in dezelfde mate belastbaar zijn. In de praktijk wordt dit standpunt echter maar zelden aanvaard.

2. Gehuwden met scheiding van goederen

De situatie is anders indien de echtgenoten met scheiding van goederen zijn getrouwd. Hier is er geen gemeenschappelijk vermogen en zijn de beide echtgenoten onverdeeld eigenaar van het onroerend goed.

De echtgenoot die het onroerend goed beroepsmatig aanwendt, mag uiteraard fiscaal afschrijvingen boeken. De afschrijving kan evenwel slechts worden toegekend in de mate dat de echtgenoot er eigenaar van is.

Aldus wordt gesteld dat een echtgenoot (die voor de helft mede-eigenaar is) een onroerend goed dat hij voor 40% beroepsmatig gebruikt, slechts voor 20% kan afschrijven. Een latere meerwaarde zal dan ook maar voor 20% belastbaar zijn.

Nochtans is ook een andere zienswijze verdedigbaar. Er kan worden geargumenteerd dat de echtgenoten vrij in staat zijn om te bepalen welk gedeelte van het gebouw aan welke echtgenoot toekomt. Aldus zouden de echtgenoten kunnen stellen dat het aandeel van de echtgenoot zelfstandige in eerste instantie toekomt op het deel van het gebouw dat hij beroepsmatig gebruikt.

Uit bovenstaande volgt ook dat de afschrijving sowieso beperkt moet blijven tot 50%. Ook al zou één van de echtgenoten het onroerend goed voor meer dan 50% gebruiken voor beroepsdoeleinden.

3. Ongehuwden

Ook bij ongehuwden is er geen gemeenschappelijk vermogen. Zij houden een onroerend goed dus aan in onverdeeldheid.

In 2001 was er een parlementaire vraag rond dit thema. Namelijk in welke mate een ongehuwde belastingplichtige die een onroerend goed in onverdeeldheid heeft gekocht dit kan afschrijven indien hij het voor 50% beroepsmatig gebruikt.

Het antwoord: de belastingplichtige mag slechts afschrijvingen toepassen op de helft van het beroepsgedeelte. Aldus zullen er slechts afschrijvingen op 25% van de aanschaffingswaarde worden aanvaard.

Standpunten in de rechtspraak

Bovenstaande toont aan dat het eigendomsrecht wel degelijk invloed heeft op het bedrag waarop kan worden afgeschreven en op de belastbare meerwaarde.

De meeste rechtspraak is evenwel van oordeel dat het eigendomsrecht niet doorslaggevend is bij de bepaling van de belastbare meerwaarde. Volgens de meeste rechtspraak moet er enkel gekeken worden naar de geboekte afschrijvingen om te bepalen in welke mate de meerwaarde belastbaar is, ook al zouden de afschrijvingen volgens bovenstaande principes onterecht zijn geboekt.

Het Hof van Beroep te Brussel oordeelde in 2012 evenwel anders.

In casu ging het om een onroerend goed dat behoorde tot het gemeenschappelijk vermogen van gehuwden. Eén van de echtgenoten gebruikte het volledig onroerend goed voor zijn beroepswerkzaamheid en schreef het onroerend goed dus volledig af. Het onroerend goed werd vervolgens verkocht en er werd een meerwaarde gerealiseerd. De administratie was dan ook van mening dat de volledige meerwaarde belast moest worden.

Het Hof zag dit evenwel anders. Volgens het Hof kon slechts de helft van de meerwaarde als een belastbaar beroepsinkomen worden beschouwd. Omdat het gebouw behoorde tot het gemeenschappelijk vermogen.

Conclusie?

De discussies over hoe deze onroerende goederen moeten worden afgeschreven én de grootte van een eventuele meerwaarde behoren dus zeker nog niet tot het verleden.

Publicatie datum: 28 juni 2018